Bij een oriënterend bodemonderzoek wordt traditioneel gekeken naar de kwaliteit van de vaste bodem en het grondwater. Maar in bepaalde situaties kan ook een onderzoek van de waterbodem noodzakelijk zijn. Voor bedrijven die onder de bodemonderzoeksplicht vallen, is het belangrijk om hiermee rekening te houden. Een tijdige inschatting voorkomt immers vertragingen
Niet elk bedrijf krijgt automatisch met een waterbodemonderzoek te maken. Deze bijkomende aandacht voor de waterbodem speelt vooral bij bedrijven waar een risico-inrichting aanwezig is of was. Denk bijvoorbeeld aan:
Wanneer dergelijke activiteiten plaatsvinden of plaatsvonden op een terrein, kan dit aanleiding geven tot een oriënterend bodemonderzoek. Daarbij wordt voortaan niet alleen gekeken naar de bodem op het perceel zelf, maar in bepaalde gevallen ook naar de aangrenzende waterbodem.
Een waterbodemonderzoek maakt niet standaard deel uit van elk dossier. Het wordt enkel opgenomen wanneer er een voldoende verband bestaat tussen de onderzoekslocatie en een mogelijke beïnvloeding van een waterloop.
Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer er sprake is van:
In dergelijke situaties kunnen niet alleen de waterbodem, maar ook de oevers mee onderzocht worden.
Voor bedrijven betekent dit dat oude en huidige lozingspunten, afwateringen naar oppervlaktewater en activiteiten langsheen waterlopen al in een vroeg stadium moeten worden meegenomen in de voorstudie van het bodemonderzoek.
Waar vroeger vaak enkel naar het perceel zelf werd gekeken, kan de onderzoeksscope vandaag ruimer worden. De aanwezigheid van een waterloop, gracht, beek, kanaal, rivier of vijver kan aanleiding geven tot bijkomende onderzoeksvragen en een uitgebreider traject.
Wanneer blijkt dat ook de waterbodem onderzocht moet worden, zijn bijkomende onderzoeksstappen noodzakelijk.
Dit kan onder meer bestaan uit:
Deze aanvullende onderzoeken vragen extra tijd en kunnen een invloed hebben op de doorlooptijd van het volledige dossier.
De belangrijkste boodschap voor bedrijven is eenvoudig: een proactieve aanpak loont. Door tijdig te laten beoordelen of een lozing, afwatering of activiteit langs een waterloop aanleiding kan geven tot bijkomend onderzoek, vermijd je verrassingen tijdens het verdere traject. Dat zorgt niet alleen voor een vlottere dossierbehandeling, maar helpt ook om onvoorziene kosten te beperken. Ook hier geldt het principe dat voorkomen beter is dan genezen. Waar dit technisch en vergunningsmatig mogelijk is, wordt best maximaal vermeden om ongezuiverd afvalwater rechtstreeks op oppervlaktewater te lozen.
Nee, er is een belangrijk nuancepunt. Wanneer bedrijfsafvalwater wordt afgevoerd via de openbare riolering en er geen andere aanwijzingen bestaan voor mogelijke waterbodemverontreiniging in relatie tot de onderzoekslocatie, geldt deze specifieke onderzoeksplicht niet ter hoogte van het uiteindelijke lozingspunt van de riolering op het oppervlaktewater. Met andere woorden: Als er afvalwater via het openbare riolering en waterzuiveringsinstallatie (RWZI) uiteindelijk in een waterloop terechtkomt, is er op zich geen reden om een waterbodemonderzoek uit te voeren. Enkel wanneer er bijkomende aanwijzingen zijn voor een mogelijke impact op de waterbodem, kan verder onderzoek noodzakelijk zijn.
OVAM laat bodemdossiers waarin asbestverontreiniging door afdruipzones voorkomt opnieuw beoordelen door erkende bodemsaneringsdeskundigen. Dit vervangt het oorspronkelijke plan om “verdere maatregelen” automatisch om te zetten naar “geen verdere maatregelen”, omdat OVAM dit zonder gedetailleerde terrein- en risicokennis zou doen
Bij verkoop, schenking of andere transacties komt vaak de verplichting tot een bodemattest of oriënterend bodemonderzoek kijken. Maar niet elke overdracht valt onder het Bodemdecreet – er zijn ook uitzonderingen. Benieuwd wat dit voor jouw situatie betekent?
Sinds 9 juli geldt een strenger kader voor loodverontreiniging: zodra een concentratie 80% of meer van de bodemsaneringsnorm bedraagt, moet je een beschrijvend bodemonderzoek uitvoeren. Dat geldt zowel bij nieuwe en historische verontreinigingen als bij de herevaluatie van oudere onderzoeken.